Laat ik beginnen met iets waarover wat mij betreft weinig discussie hoeft te bestaan: we hebben natuur nodig. Zeker in een dichtbevolkte regio als Vlaanderen. Natuur zorgt voor biodiversiteit, houdt water vast, biedt verkoeling en maakt onze leefomgeving aangenamer. Over de noodzaak daarvan wil ik dan ook niet discussiëren. Wel over de vraag waar we die natuur realiseren.
Natuurpunt voerde deze zomer actie tegen het Vlaamse natuurbeleid. Een van de punten van kritiek is het geplande voorkooprecht voor jonge en actieve landbouwers. Wanneer landbouwgrond wordt verkocht en de overheid die met publieke middelen wil verwerven voor natuurontwikkeling, krijgen landbouwers eerst de kans om die grond te kopen. Volgens Natuurpunt kan dat natuurontwikkeling op geschikte locaties bemoeilijken.
Ik begrijp die bezorgdheid. Maar ik begrijp vooral niet waarom het vreemd zou zijn dat landbouwers voorrang krijgen op landbouwgrond. We lijken soms te vergeten waarom die grond landbouwgrond heet. Om er landbouw op te bedrijven. En dus om voedsel te produceren. Landbouwgrond is in Vlaanderen schaars en duur. Bovendien is ze gegeerd voor woningen, industrie, infrastructuur, recreatie, tuinen, paarden en natuurontwikkeling. Alleen heeft een landbouwer tegenover veel andere geïnteresseerden een belangrijk nadeel: hij moet de aankoop uiteindelijk terugverdienen met wat hij op die grond produceert. Voor hem is een hectare geen stukje vastgoed. Het is een productiemiddel.
Daarom vind ik het niet alleen verdedigbaar, maar logisch dat jonge en actieve landbouwers een voorkooprecht krijgen wanneer landbouwgrond met publieke middelen wordt aangekocht. Dat betekent niet dat iedere hectare landbouwgrond eeuwig landbouwgrond moet blijven. Soms is natuurontwikkeling op landbouwgrond zinvol. Een nat perceel naast een natuurgebied kan ecologisch veel waardevoller zijn dan landbouwkundig. Langs waterlopen kunnen natuur, waterberging en landbouw elkaar versterken. Maar die nuance moet in twee richtingen werken.
Wanneer een natuurorganisatie landbouwgrond wil verwerven voor natuurontwikkeling, wordt dat terecht gezien als een investering in onze toekomst. Maar landbouwgrond behouden voor voedselproductie is dat evenzeer. Misschien zelfs nog fundamenteler.
De voorbije jaren hebben ons geleerd hoe kwetsbaar internationale voedsel- en grondstoffenmarkten kunnen zijn. Geopolitieke conflicten, handelsproblemen en steeds extremere weersomstandigheden maken voedselzekerheid opnieuw een thema waarvan we niet zomaar mogen aannemen dat het zichzelf oplost. Tegelijk verwachten we steeds meer van onze landbouwers. We willen lokale productie, minder emissies, meer biodiversiteit, betere bodems, meer waterbuffering en liefst ook betaalbaar voedsel.
Maar al die landbouw heeft één ding nodig. Grond.
Daarom wringt de kritiek op het voorkooprecht. Het betekent immers niet dat natuurorganisaties geen landbouwgrond meer kunnen verwerven. Wanneer geen landbouwer geïnteresseerd is, kan de grond nog steeds voor natuur worden aangekocht. Ook aankoop met eigen middelen blijft mogelijk. Wat verandert, is dat de overheid niet zomaar met belastinggeld een landbouwer hoeft te overbieden voor grond die als landbouwgrond bestemd is.
Stel je de omgekeerde situatie eens voor. Een jonge landbouwer wil een perceel kopen dat officieel natuurgebied is. Hij wil er aardappelen telen. De Vlaamse overheid geeft hem vervolgens financiële steun waarmee hij sterker staat dan een natuurorganisatie die hetzelfde perceel wil aankopen om er natuur te behouden. We zouden dat terecht vreemd vinden. Waarom vinden we het omgekeerde dan wel vanzelfsprekend?
Groene bestemmingen zijn er in de eerste plaats voor natuur. Landbouwbestemmingen zouden er in de eerste plaats voor landbouw moeten zijn. Dat betekent niet dat landbouw en natuur elkaars tegenstanders moeten zijn. Integendeel. Een haag, bloemenrand, poel of kruidenrijk grasland kan natuurwaarde creëren op een landbouwbedrijf. Landbouwers kunnen water vasthouden, landschappen onderhouden en leefgebied bieden aan vogels en insecten.
Niet iedere vorm van natuur kan met landbouw worden gecombineerd. Sommige ecosystemen verdienen bescherming waarbij voedselproductie niet past. Maar ook het omgekeerde moeten we durven erkennen: niet iedere hectare hoeft natuurgebied te worden om ecologische waarde te hebben. Vooral voor jonge landbouwers is dat belangrijk. Wie vandaag een bedrijf wil overnemen, starten of uitbreiden, moet concurreren op een grondmarkt waarop grond steeds schaarser en duurder wordt.
We kunnen niet aan de ene kant zeggen dat we jonge landbouwers nodig hebben en aan de andere kant vinden dat het overdreven is om hen voorrang te geven wanneer landbouwgrond beschikbaar komt. Willen we over dertig jaar nog landbouw in Vlaanderen? Willen we dat jonge mensen nog boer kunnen worden? Willen we een deel van ons voedsel zelf blijven produceren?
Als het antwoord ja is, moeten daar consequenties aan verbonden zijn. Natuur is noodzakelijk voor onze toekomst. Voedsel is dat nog meer.
We zullen in Vlaanderen beide nodig hebben. Maar daarvoor moeten we stoppen met landbouw en natuur voortdurend om dezelfde hectare te laten vechten. Geef natuur alle kansen waar natuur de bestemming en de logische functie is. Zoek samenwerking waar natuur en landbouw gecombineerd kunnen worden. Maar wanneer goede landbouwgrond op de markt komt? Laat dan eerst een landbouwer de kans krijgen om er voedsel op te blijven produceren. Dat is geen natuurbeleid op slot zetten.
Dat is ervoor zorgen dat er straks nog iemand is die ons eten produceert.

